Carmen is getrouwd met Luis en woont in Bogota. Ze heeft een redelijk goede baan en zo kunnen ze goed rondkomen, maar Luis is geregeld werkloos en raakt verslaafd. Als Carmen zwanger raakt en de suggestie wordt gedaan dat Luis misschien niet de vader is, raakt hij buiten zinnen en mishandelt haar. Carmen vlucht naar een opvanghuis. Haar baan is ze kwijt, naar Luis kan ze niet terug en ze besluit haar kindje af te staan voor adoptie. Zo komt haar dochtertje Isabel terecht bij Henk en Karin Koelewijn, die na jaren wachten niet eindeloos de medische molen in willen, maar voor adoptie kiezen. Na 4 jaar wordt er toch nog een broertje geboren. Heel mooi wordt beschreven hoe liefdevol en geduldig Henk en Karin omgaan met de problemen die Isabel heeft, de extreme verlatingsangst het schrikken van harde geluiden. Aan de buitenkant lijkt het prima te gaan, Isabel heeft een hartsvriendin, is een groot voetbaltalent en op school presteert ze goed. Maar al heel jong voelt ze zich anders: de enige in het gezin met een getinte huid, als op school les wordt gegeven over de geschiedenis van ons land, onze voorouders, ervaart ze dat dit niet haar geschiedenis is. Ze reageert overgevoelig op het verhaal van Mozes die gevonden wordt in en biezen mandje in de Nijl, wordt opgevoed aan het hof, maar toch de eerste jaren bij zijn moeder mag wonen. In de puberteit gaat het helemaal de spuigaten uit lopen: spijbelen, drinken, (wiet) roken en uiteindelijk loopt ze weg en gaat in een kraakpand wonen. De worsteling die de ouders meemaken, hun zoektocht naar adequate hulp voor een dochter die het gedrag vertoont wat zo vaak te zien is bij pleeg- en adoptiekinderen: zich zo misdragen dat hun grootste angst werkelijkheid wordt, te worden afgedankt door hun (pleegouders).
